Auteur: Vicevoorzitter

Transparantie in de veehouderij

De consument oefent met zijn inkopen bedoeld of onbedoeld invloed uit op dierenwelzijn. Er blijkt echter vaak een ‘kloof’ tussen het product wat in het winkelschap ligt en het dier op de boerderij en het gehele productieproces. Voor meer begrip en samenwerking in de veehouderij is transparantie van belang. In opdracht van het ministerie verrichtte het Lanbouw-Economisch Instituut (LEI) onderzoek naar de transparantie van de veehouderij. Dit rapport, met als titel ‘Vee in zicht; Boeren en burgers over transparantie in de veehouderij’, is sinds 5 juli 2011 te lezen via de site. In de resultaten staat samengevat dat veehouders meer inzichtelijker zullen maken hoe zij hun dieren houden, als: duidelijker wordt aan welke normen ze gehouden zullen worden door EL&I, geïnvesteerd wordt in voorlichting aan en professionalisering van veehouders, er financiële of andere voordelen voor veehouders aan worden verbonden. Meer burgers zullen gaan kijken hoe de veehouder zijn dieren houdt, als: het aanbod bekender wordt doordat er meer reclame voor wordt gemaakt, de veehouder zelf aanwezig is en betrouwbare toelichting geeft op zijn bedrijf en de volgende schakels in de keten, het aanbod divers blijft, en ook aansluit bij de behoeften van kinderen.Het gehele rapport is te lezen op de site van het LEI.

Nieuws overzicht: Ritueel slachten

Al maanden wordt er vurig gediscussieerd over ritueel slachten. Nu is er eindelijk een akkoord en nog gaat de discussie door. Het is een grote wirwar van emoties, religie en zelf de wetenschappers spreken elkaar tegen. Wij hebben geprobeerd zoveel mogelijk verschillende headlines te verzamelen in een poging overzicht te behouden. Hoe kwamen we van “Steeds minder steun voor verbod onverdoofd ritueel slachten” naar het toch hebben van een akkoord?

9 juni:

Steeds minder steun voor verbod onverdoofd ritueel slachten

16 juni:

Joodse Gemeente: ‘Wij zijn geen barbaren’

19 juni:

Ledenraad PvdA wil géén verbod op ritueel slachten

21 juni:

‘Debat over rituele slacht stinkt’

NB bovenstaand artikel is een opiniestuk. Dat wij een link ernaar plaatsen wil niet zeggen dat het per se de meningen van Hygieia en/of haar leden vertegenwoordigt, maar in de mening van de auteur van dit artikel de problematiek waar de discussie onder lijdt goed weergeeft; namelijk dat emoties en religie de boventoon zijn gaan spelen en de wetenschap verdringen. Of zoals in de woorden van Henk Jan Ormel: “Wij praten hier als politici over veterinaire zaken, dat zouden we aan deskundigen moeten overlaten.”

22 juni:

Kritiek op compromis over slacht

23 juni:

Tweede Kamer akkoord over rituele slacht

Onverdoofde rituele slacht mag niet meer. Tenzij …

Verbod onverdoofde slacht doorbraak voor Thieme

24 juni:

‘Vrijheid van godsdienst telt blijkbaar niet meer mee’

Voorlopig geen kabinetsstandpunt rituele slacht

‘Compromis ritueel slachten is fopspeen’

25 juni:

Joodse instanties willen auteur rapport ritueel slachten horen

Er zit van alles op alles

Op BNR radio wordt Mark Bonten, hoogleraar infectieziekten UMC Utrecht, geïnterviewd over de EHEC bacterie naar aanleiding van het persbericht van TNO. In dit persbericht wordt gesproken over de oplossing tegen de resistente EHEC bacterie. Het is onduidelijk welke natuurlijke middelen TNO heeft ontdekt, mogelijk betreft het probiotica. Volgens Marc Bonten worden de gevaren van resistente bacteriën echter overdreven. ‘Er zit immers van alles op alles‘. De uitbraak schudt ons goed wakker waardoor we weer extra allert zijn op de manier waarop wij voedsel produceren en het grote belang van voedselveiligheid. Via onderstaande link is de uitzending terug te luisteren:http://www.bnr.nl/?service=player&type=fragment&articleId=126483&audioId=126497

Excursie megastal

Op een enigszins druiligere vrijdagochtend in juni 2011, vertrokken 13 personen van studievereniging Hygieia en de Veefokkers in de richting van Elsendorp, waar het varkensbedrijf van de familie Heijmans te vinden is. In deze zo genoemde ‘megastal’ bevinden zich ongeveer 900 zeugen en 2500 vleesvarkens.

P6091632

Na wat ongeregeldheden onderweg (1 auto begaf het halverwege), kwamen we (in gedeelten)  aan bij een grote, nieuwe schuur. We werden hartelijk ontvangen door Jos en zijn vrouw, waarna we direct konden douchen. De hygiëne maatregelen werden strikt in acht genomen, het bedrijf was namelijk SPF en daarnaast in het bezit van alle moderne maatregelen. Zo is elke aparte afdeling in het bezit van eigen laarzen en laarzenborstels en draagt iedereen totale bedrijfskleding.

Wij kregen een uitgebreide rondleiding over het bedrijf, te beginnen bij de zeugen met pasgeboren biggen. De inrichting van de kraamhokken zag er eigenlijk precies zo uit als in elk ander modern vermeerderingsbedrijf, maar er was meer natuurlijk licht in de stal (via een venter in het dak) en wat ons allen erg opviel was hoe schoon de hokken waren en hoe weinig stof er lag. Omdat het een ‘megastal’ betrof waren er van dergelijke kraamstallen velen te vinden. Wat erg indrukwekkend was, was de afdeling met daarin de dragende zeugen. Deze grote hal bood ruimte aan zo’n 630 zeugen. De zeugen hadden aparte boxen, waarvan de hekken openstonden, zodat de zeugen er zelf, naar behoefte in en uit konden lopen. De gelten werden apart gehouden, zodat zij niet onder de voet gelopen werden door de oudere worps zeugen. Na een korte wandeling konden we ook de vleesvarkens nog bewonderen. Ook hier waren weinig verschillen op te merken met een regulier, gemiddeld varkensbedrijf, behalve weer het daglicht en de hygiëne.

Wat mij zal bijblijven over dit bedrijf was de hartelijkheid van de veehouders en de hygiëne. Ik heb nog nooit zo’n schone varkensstal gezien! Ik heb geen kuchje bij de varkens gehoord (ja, t was SPF voor de meeste longpathogenen, maar toch) en de dieren zagen er goed en schoon uit. Mede dankzij de goede ventilatie met aan het einde van de rit een luchtwassysteem, was het klimaat in de stal zeer goed, en buiten was de varkenslucht minimaal te ruiken. Dit was het eerste varkensbedrijf waar ik zelf niet met een kuchje vandaan ging.

Om u nog een indruk van het welzijn te geven:  Ik kreeg de indruk dat deze varkens best goed afzijn in dit bedrijf. Er werd goed met de dieren omgegaan, er was daglicht in de stal en het klimaat was buitengewoon. Om zulke aantallen dieren goed en probleemloos te houden, moet het management optimaal zijn en komen er ook middelen vrij, om enkele zaken te optimaliseren. Daar zijn de dieren op dit bedrijf in ieder geval goed bij gebaat!

 Foto’s van de excursie/megastal zijn te vinden onder het kopje foto’s op deze site.

Namens de dierwelzijncommissie,

Anieke van Dort

Universiteit Gent lanceert ABcheck

De AntiBiotica-check bied veehouders, dierenartsen en andere geinteresseerden de mogelijkheid het antibioticagebruik in de koppel te kwantificeren en te vergelijken met andere veehouders. Het is een gebruiksvriendelijke, gratis rekenmachine en de gegevens worden anoniem verwerkt. Op dit moment is deze website geschikt voor de berekening van het antibioticumgebruik op varkens-pluimvee- en kalkoenbedrijven. De module voor rundvee is volop in ontwikkeling en mag u binnenkort verwachten.

 

Het reduceren van antibioticagebruik en verantwoord gebruik van de beschikbare middelen, zowel medisch als veterinair, wordt gezien als een van de belangrijkste aandachtspunten in de strijd tegen antibioticaresistentie.

De slogan,“Check, reduce and improve”,  weerspiegelt de visie waarmee de website is ontwikkeld: we moeten ons antibioticagebruik meten. De geproduceerde gegevens geven veehouders de gelegenheid hun antibioticamanagement aan te passen en geeft adviseurs de kans bedrijfsspecifiek advies te geven, wat gezamenlijk kan leiden tot een meer verantwoorde en verminderd antibiticagebruik.

De website biedt tevens achtergrondinformatie over antibiotica en antibioticaresistentie met interesante links en downloads over deze onderwerpen.

De ABcheck is ontwikkeld door de Eenheid voor Veterinaire Epidemiologie van de Faculteit Diergeneeskunde binnne het project “Reductie antibioticumgebruik”.

www.abcheck.ugent.be Kijk en probeer het zelf!

Megastallen

Er wordt steeds meer gesproken over het begrip ‘megastallen’ en er heerst grote betrokkenheid vanuit onze maatschappij! Hierbij gaat het niet alleen om de omvang van megastallen maar ook om de gehele veehouderij en duurzaamheid. Om deze reden wil Staatssecretaris Henk Bleker graag weten welke relaties de burger ziet tussen de grootte van stallen en de mogelijkheden om te ondernemen, de wijze waarop er voor melkkoeien, varkens, kippen en melkgeiten gezorgd wordt en de gevolgen die er zijn voor volksgezondheid, milieu en landschap. Het Ministerie van Economische Zaken Landbouw en Innovatie heeft hiervoor een interessante website opgericht om deze maatschappelijke dialoog over megastallen vorm te geven. In september 2011 zullen de uitkomsten hiervan worden gepresenteerd aan meneer Bleker zodat deze de uitkomsten mee kan nemen in zijn standpunt welke in oktober 2011 naar buiten zal worden gebracht. Op de site is tevens meer achtergrondinformatie, (onderzoeks)rapporten en ook meerdere links naar interessante informatie over megastallen elders te vinden. Surf dus naar: http://www.dialoogmegastallen.nl/ om deel te nemen aan dit debat door opmerkingen of vragen te plaatsen of voor meer informatie. Zoals ook op de site wordt aangegeven kun je pas een echte mening vormen als men een megastal heeft bezocht. Hygieia is op 10 juni 2011 dan ook op bezoek geweest bij een megastal in Elsendorp.

**UPDATE** Ondertussen is de laatste fase van de megastallen discussie aangebroken: Hans Alders, de leider van de discussie, heeft 4 scenario’s geschetst. Hier kan tot 1 juli nog op gereageerd worden, daarna zal er een rapport verschijnen. Bekijk de scenario’s hier.

Overzicht antibiotica discussie

Voor de mensen die niet dagelijks het nieuws volgen, of voordat ze zich een mening vormen toch nog even de belangrijke punten willen nalopen, hebben we een overzicht gemaakt van de gebeurtenissen rondom de recente opleving van de discussie over antibiotica gebruik.

9 april: Het NRC-artikel waar het allemaal (weer) mee begon.

11 april: Reactie van de KNMvD (omschreven door het NRC)

13 april: Reactie staatsecretaris Bleker.

15 april: KNMvD persbericht

13 mei: Lianne Smink, diergeneeskunde student, schrijft een opiniestuk  op de DUB-website.

Symposium “Hygiëneverordening en Dierenwelzijn”

De krantenkop: “nVWA neemt vee in beslag” zien we tegenwoordig met enige regelmaat. Ook de berichtgeving over misstanden tijdens transport van dieren zullen u bekend voorkomen. De maatschappelijke aandacht voor dierenwelzijn neemt toe. Reden voor de besturen van de Groep Gezondheid- en Kwaliteitszorg, Groep Gezondheidszorg Landbouwhuisdieren en studievereniging Hygieia om een symposium te organiseren met het thema:

 

“HYGIENEVERORDENING EN DIERENWELZIJN”

 

Dierenwelzijn maakt nadrukkelijk onderdeel uit van de hygiëneverordeningen. Dat betekent dat er dierenwelzijneisen worden gesteld aan (slacht-)dieren. Die eisen hebben weerslag op de boerderij- en transportfase. De dierhouder en transporteur heeft de verantwoordelijk om aan te tonen dat aan de eisen voor dierenwelzijn wordt voldaan. Zowel de practicus als de (parttime) officiële dierenarts zijn vanuit hun professie betrokken bij de beoordeling van het dierenwelzijn op de boerderij en tijdens de transport- / slachtfase.

 

Het symposium richt zich op:

§  de regelgeving, de melding en het toezicht,

§  de handhaving met praktijkvoorbeeld op de boerderij en het transport,

§  de rol van de practicus aan de hand van twee praktijkvoorbeelden met speciale aandacht voor de diergeneeskundige verklaring,

§  de sanctionering met bijzondere aandacht voor het instrument bestuursdwang,

§  de preventie met speciale aandacht voor het vertrouwensloket preventie verwaarlozing landbouwhuisdieren, en

§  wat vindt de sector er eigenlijk van?

 

Het symposium richt zich op: practici landbouwhuisdieren, (parttime) officiële dierenartsen werkzaam bij de nVWA, nVWA medewerkers die zijn betrokken zijn bij de handhaving, dierenartsen werkzaam bij het ministerie EL&I en studenten diergeneeskunde.

 

Waar: Faculteit Diergeneeskunde

Wanneer: woensdag 20 april 2011 van 14.00 tot 17.30 uur

Deelname: voor leden van GKZ, GGL en Hygieia gratis. Voor niet leden wordt € 75,- in rekening gebracht.

 

Het definitieve programma met sprekers wordt op 1 april a.s. bekend gemaakt. Dan zal ook de inschrijving worden geopend.

Met hartelijke groet,

Jules Rojer, voorzitter GKZ
Peter Egberink, voorzitter GGL

Marjolijn Schlepers, voorzitter studievereniging Hygieia

Meelopen bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

In plaats van de reguliere 4e jaars stage bij een dierenartsenpraktijk hebben Noortje van Genugten en ondergetekende gekozen voor een week stage bij het RIVM (www.rivm.nl). Deze keuze hebben wij gemaakt omdat de veterinaire volksgezondheid onze interesse heeft, zoals wel blijkt uit de oprichting van Hygieia.

De keuze voor het RIVM is voornamelijk tot stand gekomen om inzicht te verkrijgen in de mogelijke rol die een dierenarts in een dergelijke instantie zou kunnen vervullen. Daarnaast hebben wij mogen ervaren hoe een grote organisatie als het RIVM reilt en zeilt, hoe de aldaar uitgevoerde onderzoeken worden opgezet, welke samenwerkingsverbanden er tussen het RIVM en andere instanties bestaan en hoe de medewerkers van het RIVM het ervaren om een onderdeel te vormen van de instantie die de volksgezondheid dient te bewaken.

Aangezien één van de doelen van Hygieia het informeren van studenten over functieloopbanen binnen de volksgezondheid is, zal hier een kleine samenvatting van onze stageweek gegeven worden om een beeld te schetsen van het RIVM.

Het RIVM, een instituut met ongeveer 1550 medewerkers, voert voornamelijk onderzoeken uit in opdracht van de ministeries van VWS, VROM, LNV, inspecties en internationale organisaties zoals de Europese Unie en de Verenigde Naties. Wij hebben mee mogen lopen bij het CIb, het Centrum Infectieziektebestrijding (www.rivm.nl/cib). Binnen deze afdeling werken mensen met uiteenlopende achtergronden, zo hebben wij gesproken met artsen, dierenartsen, verpleegkundigen, medisch microbiologen, epidemiologen etc. waardoor een interessante verzameling van kennis bij elkaar gebracht wordt.

Onze begeleidsters, Barbara Schimmer, een basisarts en Merel Langelaar, een dierenarts, hadden een boeiend programma voor ons opgesteld.

Zo hoorden wij over het tijgermugproject. De eieren van deze tijgermug (Aedes albopictus) worden geïmporteerd op de stengel van de Lucky Bamboo. De tijgermug kan als vector dienen voor een aantal (tropische) ziekten, waaronder dengue (knokkelkoorts). Onderzoek wordt uitgevoerd naar deze muggen en naar medewerkers van kwekerijen in Nederland.

Met Merel Langelaar mochten wij meekijken in het lab. Zij doet onderzoek naar verbanden tussen astma en worminfecties. Tevens is zij redacteur van de website www.ziekdoordier.nl, een informatieve internetsite waar uitleg gegeven wordt over zoönosen.

Een student van de Wageningse Universiteit doet haar afstudeeronderzoek naar de uitbraak van Aviaire Influenza (H7N7) uit 2003 bij het RIVM. Ook over de AI uitbraken in o.a. Indonesië (H5N1) hebben wij relevante achtergrondinformatie meegekregen. Over Salmonella in boerenkaas (uitbraak in Twente) en in kip zijn ook de nodige besprekingen geweest. Dat er al snel iets mis kan gaan met de hygiëne in de keuken bleek uit de resultaten van het onderzoek naar besmettingsrisico’s bij de bereiding van voedsel. Nederlanders die zich opgegeven hadden voor deelname aan dit onderzoek dienden een kip-kerriesalade te bereiden. De kip voor deze salade was besmet met een Lactobacillus (dienend als model voor Salmonella). Na het doorlopen van alle bereidingsprocessen, inclusief het koken van de kip, werd bepaald hoeveel Lactobacillen terug te vinden waren in het eindgerecht. De resultaten lieten duidelijk zien dat het opvolgen van de basisregels voor de hygiëne en de juiste bereidingswijzen van groot belang zijn voor het voorkómen van voedselinfecties.

Bij het RIVM worden ook surveillances gedaan, onder andere naar STEC (Shiga-toxine producerende E. Coli), Listeria, Campylobacter en Norovirus. Uitbraken van één van deze ziekten worden geregistreerd. Binnen de humane meldingsplicht kunnen gevallen direct of binnen 24 uur door artsen (categorie A en B ziekten) of via het lab (categorie C) gemeld worden.

Tijdens het signaleringsoverleg hebben wij kunnen spreken met iemand die namens de Voedsel- en Warenauthoriteit (VWA) aanwezig is bij dit overleg. Door de aanwezigheid van de VWA bij het signaleringsoverleg wordt een breed aandachtsveld voor o.a. zoönosen en een optimale communicatie tussen de VWA en het RIVM gegarandeerd. Het signaleringsoverleg heeft tot doel om infectieziektesignalen uit diverse surveillancebronnen onder de aandacht te brengen, te interpreteren en een adequate reactie en advisering op uitbraken te geven. Door deskundigen vanuit andere organisaties uit te nodigen voor dit overleg wordt informatie-uitwisseling makkelijker gemaakt.

Een hoogtepunt was de uitnodiging om mee te gaan naar de oratie van Prof. Dr. Koopmans bij het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. Mevrouw Koopmans is viroloog en dierenarts en werkzaam bij het RIVM op het Laboratorium voor Infectieziektendiagnostiek en Screening (LIS), waar zij zich voornamelijk richt op de virologie. In haar oratie maakte zij duidelijk dat het grootste deel van de uitbraken van diarree en braken in bijvoorbeeld verpleeghuizen een virale oorzaak hebben en niet zoals lange tijd gedacht is een bacteriële. Haar oratie werd gehouden op donderdag 8 maart 2007.

Kortom, het was een interessante stage, waarbij wij een duidelijk beeld hebben kunnen krijgen van het RIVM. Diverse disciplines, waaronder jouw discipline, zijn noodzakelijk in een dergelijke instantie. Dus als (veterinaire)volksgezondheid je interesse heeft, overweeg dan ook eens een carrière in die richting, bijvoorbeeld bij het RIVM en houd natuurlijk ook de site van Hygieia in de gaten, want ook daar leer je veel over de mogelijkheden om mee te werken aan het beschermen van de volksgezondheid.

Merel Postma

Verslag Voorjaarssymposium 2011

Voorjaarssymposium Hygieia “One Health: (re)emerging zoonoses, prevention&control”

Het voorjaarssymposium van Hygieia, gehouden op 2 maart 2011 was een geslaagde dag. Helaas waren de bezoekers niet in dusdanige getalen op komen dagen als gehoopt, maar de groep toehoorders die aanwezig was, was mondig en luisterde goed. Daarnaast was dagvoorzitter Prof. dr. Frans van Knapen (Hoogleraar Veterinaire Volksgezondheid, IRAS/VPH, UU) natuurlijk geknipt voor zijn rol. De ideale basis voor interessante discussies!

 

Hieronder een impressie van elke lezing, geschreven door een toehoorder. Daarnaast heeft één van de sprekers een reactie gegeven op deze dag.

 

Hepatitis E

door Prof. dr. Wim H.M. van der Poel, DVM, Senior Scientist Emerging&Zoonotic virusses, CVI, WUR

 

De eerste lezing werd verzorgd door Prof. dr. Wim H.M. van der Poel en betrof de nieuwste inzichten m.b.t. hepatitis E. Het hepatitis E virus (HEV) is een enkelstrengs RNA virus zonder envelop en past in het plaatje van ‘emerging zoonoses’ (fam. Hepesviridae). De belangrijkste transmissieroute is faeco-oraal en de meeste uitbraken worden geassocieerd met verminderde hygiëne en verontreinigd drinkwater. Er zijn vier genotypes van het virus bekend, waarvan genotypes één tot en met vier gevonden kunnen worden in ontwikkelingslanden (endemisch en sporadische gevallen). Genotype drie en vier kunnen voornamelijk in de ontwikkelde landen worden aangetoond (genotype drie o.a. in Europa, niet endemisch). In geïndustrialiseerde gebieden is de seroprevalentie bij de mens erg laag, al wordt de diagnose van een HEV infectie steeds vaker gesteld (let wel: onderrapportage). Genotype drie en vier hebben hierbij een zoönotisch karakter. Boeren, dierenartsen, slachters, personen welke met vlees in contact komen en consumenten van slecht doorbakken varkensvlees (onder andere ook worst waarin rauwe lever wordt verwerkt zoals ‘figatelli’), vlees van wilde zwijnen en hertenvlees, vertonen een hogere seroprevalentie dan de algemene populatie. Ook het eten van (geïnfecteerde) oesters kan leiden tot infectie. Ondanks het feit dat infectie bij de mens niet vaak leidt tot sterfte, dienen voornamelijk zwangere vrouwen en ouderen op te letten, daar ernstige complicaties bij deze groepen kunnen optreden. Recentelijk is ook genotype vier geïsoleerd bij Europese varkens waarbij de stam gelijkt op een infectie bij een autochtone casus in Duitsland, hetgeen het ‘emerging’ karakter van de infectie benadrukt (daarbij: Gt 3 bij varkens (reservoirfunctie) heeft een R0 van 10,7). Naast een voornamelijk food-borne gerelateerde infectie, kan het HEV ook overgedragen worden via bloedtransfusies bij de mens en is er sprake van een verticale overdracht naar de foetus. Gezien het stijgend aantal infecties bij de mens is dan ook het specifiek testen op hepatitis E van een patiënt, bij een verdenking van hepatitis, van groot belang (mogelijk bij gespecialiseerde laboratoria). Vaccineren is momenteel nog niet mogelijk, waardoor hygiëne bij het hanteren van dieren/vlees de boodschap is. De ‘One Health’-strategie is ook daarom volgens Prof. dr. Wim van der Poel in alle fasen – van preventie, monitoring tot controle – van zeer groot belang.

 

Extended Spectrum Beta Lactamasen

door Drs. I. Overdevest, AIOS Microbioloog St. Elisabeth Ziekenhuis, Tilburg

 

De presentatie van Ilse Overdevest, AIOS medisch microbioloog, gaf goed aan hoe belangrijk het is dat er een dialoog is tussen de veterinaire en de humane geneeskunde. Zij doet haar promotieonderzoek naar ESBL producerende Enterobacteriaceae en dan met name naar hoe het zit met de humane besmettingen en waar ze vandaan komen. Er blijkt een rol te zijn weggelegd voor kippenvlees als bron van besmetting. Komt dit nu doordat wij (dierenartsen) zoveel antibiotica gebruiken terwijl de artsen in Nederland zo weinig voorschrijven? En waar komen dan al die andere besmettingen vandaan buiten kippenvlees? Genoeg vragen voor de levendige discussie die mooi aangaf waar we die beschuldigende vinger wel en niet op zouden moeten richten.

 

Complexe koorts

door Drs. H. Kok, Huisarts Vincent van Gogh Instituut Venray, GGZ NML

 

Als één van de weinigen niet veterinair onderlegde sprekers, legde Hans Kok de zaal een casuïstiek Q-koorts voor. Al snel werd duidelijk waarom de titel ‘Complexe Koorts’ was gekozen; er komt namelijk nogal wat bij kijken wanneer een huisarts geconfronteerd wordt met één van de eerste infecties door een emerging zoönose die tot (ernstige) ziekteverschijnselen leidt. De casusbeschrijving, die op het eerste gezicht eenvoudig leek, begon met een ‘viraal beeld’; een diagnose die regelmatig wordt gesteld wanneer er sprake is van onder andere algehele malaise en koorts. In de loop van de tijd (maanden) ontwikkelde dit schijnbaar onschuldige ziektebeeld zich na enkele pieken en dalen tot een levensbedreigende pneumonie. De medicatie die de patiënt kreeg voor zijn psychische toestand, kon daarbij leiden tot een levensbedreigende intoxicatie wanneer er sprake is van koorts. Daarnaast was de patiënt zelf bang voor een ‘terugval’, aangezien hij na jarenlang werken aan zichzelf weer op het punt stond zelfstandiger te gaan wonen. Al met al, een complexe casus. Tijdens deze presentatie werd duidelijk dat naast de niet aanwezige koppeling tussen de humane en veterinaire geneeskunde, ook de communicatie van medisch specialisten te wensen overliet, hoewel in dit geval ‘volgens het boekje’ gehandeld is. Vraag van de spreker was dan ook: ‘Moet dit niet anders? Er is te weinig bekendheid over zoönosen binnen de humane geneeskunde en er wordt vaak pas adequaat gereageerd bij een epidemie. Hier heeft de individuele (huis)arts op het moment dat een dergelijke casus zich aanbiedt, niet zoveel aan. Wie moet hier nu het voortouw nemen? De huisarts in kwestie? De GGD? Of een andere organisatie? En daarbij: wat is nu het beleid?’ Deze vragen en andere uit het publiek leidde tot een interessante discussie over dit onderwerp; Q-koorts is nog lang geen verleden tijd en we hebben er, ook als veterinairen, ook nog lang geen compleet beeld van.

 

Voorbereidingen op nieuwe zoönosen

door J. Doosje, MPH, Senior adviseur GGD Nederland

 

Jelle Doosje is werkzaam als senior adviseur bij GGD Nederland op het gebied van infectieziektebestrijding, veiligheid en crisisbeheersing. De titel van zijn lezing was ‘Voorbereiden op nieuwe zoönosen’. Na een inleiding over de functies van de GGD en over de huidige stand van zaken op het gebied van dieren in Nederland en infectieziekten heeft Jelle Doosje het verloop van de Q-koorts uitbraak in Zuid-Limburg uitgebreid (een halfuur langer dan gepland…) besproken. Het enthousiasme waarmee hij zijn verhaal deed is waarschijnlijk het gevolg van het feit dat hij zelf nauw bij het crisismanagement van de uitbraak betrokken was. In het deel over Q-koorts legde hij de nadruk op de verspreiding van de Coxiella burnetti bacterie (tot 12 kilometer door de lucht!) en de communicatie met veehouders, huisartsen, ambtenaren, burgemeesters en uiteraard de media. Hoewel Q-koorts nu enigszins beheersbaar is, staan er nog meer zoönoses klaar om Nederland binnen te komen. Veel van deze emerging zoönoses worden overgedragen door een vector en kunnen zich daardoor snel verspreiden. Als voorbeelden hiervan noemde Jelle Doosje het West Nile virus, dat verspreid wordt door de tijgermug, en Rift Valley Fever. De oplossing ligt volgens Jelle Doosje in communicatie. Er moet meer aandacht voor emerging zoönoses komen in het onderwijs en ook moet er meer onderzoek naar gedaan worden. De samenwerking tussen veehouders, dierenartsen, humaan artsen en de GGD moet intensiever worden om in de toekomst nog adequater om te kunnen gaan met van dier op mens overdraagbare infectieziekten.

Bouwen aan vertrouwen

door Drs. H. van der Heide, DVM, Medewerker Ministerie VWS/EL&I, Projectgroep Emerging Zoönosen

 

Helena van der Heide, pas afgestudeerd dierenarts in de richting Bestuur&Beleid, nam het publiek mee naar het verleden van de veterinaire en de humaan geneeskundige geschiedenis. Zaken als de Cholera epidemie van 1832 en het rapport Berenschot uit 2010 passeerden de revue. Daarna breidde ze uit naar het project EmZoo (Emerging Zoönosen). Dit is in 2007 gestart met medewerking van de Faculteit der Diergeneeskunde (UU), het CVI, de GD en het RIVM/CIb). Doel is een systemische aanpak en prioritering ontwikkelen op het gebied van emerging zoönosen. Hieruit moet een blauwdruk voor een early-warning systeem vloeien. De toon is gezet met de website ezips.rivm.nl, waar de emerging zoönosen van vandaag de dag op geprioriteerd staan. Er wordt ook lering getrokken uit de meest recente gevallen van zoönosenbestrijding, zoals het rapport van de Commissie van Dijk (Q-koorts). Hieruit komt naar voren dat er nog te weinig integratie is van de humane en veterinaire aanpak van zoönosen. Daarnaast bestaat er vaak onduidelijkheid over het belang van een regionale danwel nationale aanpak, en wanneer deze grens overschreden wordt. Duidelijk is wel dat de volksgezondheid voorop staat en dat het belang van de sector niet onderschat moet worden. Het EmZoo rapport wat onlangs verschenen is, is niet bedoeld om na het lezen op de plank te worden gelegd. Men is van mening dat er juist nu, in vredestijd, actie moet worden ondernomen. Onder andere het opzetten van een besluitvormingsstructuur op basis van risicoanalyses zal het mogelijk maken sneller te schakelen. Daarnaast staat signalering hoog in het vaandel, net als de informatievoorziening voor zowel humane als veterinaire professionals. Uit de zaal kwam de tip om ook vooral de diagnostiek van de zoönosen niet te verwaarlozen. Al deze informatie was zeer interessant voor de toehoorders; niet ten minste omdat er wordt ingezet op praktische bruikbaarheid en snelle implementatie van de resultaten. Kortom, er wordt hard aan de weg getimmerd door de beleidsmakers, waardoor het met het vertrouwen wel goed zal komen!

 

Reactie

door Drs. H. Kok, Huisarts Vincent van Gogh Instituut Venray, GGZ NML

 

“Als arts, vertegenwoordiger van de humane geneeskunde, heb ik een bijdrage mogen leveren aan het Hygieia symposium ‘One Health: (re)emerging zoonoses/prevention&control’ te Utrecht, d.d. 2 maart 2011. Mijn eerste indrukken waren de bijzonderheid dat dit thema wordt aangewend door de veterinaire geneeskunde; niet door de humane geneeskunde en uit gesprekken heb ik begrepen dat er wel uitnodigingen naar ‘mijn’ collega’s verstuurd zijn, echter de reacties erg pover waren, vertaald in de daadwerkelijke opkomst. De andere indruk is de positieve sfeer en het enthousiasme die heersten zowel bij de sprekers en dagvoorzitter, als bij de toehoorders: een open sfeer, een kritische open sfeer, met respect voor elkaars argumenten en beschouwingen; een vertrouwde gelegenheid om een mening te mogen poneren. Daarbij als uitgangspunt ‘One Health’, hetgeen een ieder wel onderschreef, maar vanuit diverse hoeken werd bekeken en bediscussieerd. Gezien de importantie van het onderwerp, de actualiteit van de zoönosen wordt dit initiatief te weinig op dit moment als relevant gezien; jammer, maar geen reden om niet door te gaan; mogelijk kan een volgende keer een politicus , met portefeuille gezondheidszorg worden uitgenodigd om het werkelijke gewicht van dit onderwerp zichtbaarder te maken.

 

Ik heb respect voor de studenten, vrijwilligers, voor de organisatie en de sprekers, en spoor hen aan op dit pad verder te gaan, in het belang van ons allen, zowel mens als dier.”

 

Een gevarieerde en interessante dag was het resultaat, zoals hierboven staat beschreven. Met veel plezier en inzet heeft Hygieia met dit symposium weer van zich laten horen op het gebied van veterinaire volksgezondheid!